Minicursus 3: Contexten maken en toewijzen

Contexten vormen een centraal onderdeel van de wijze waarop OmniFocus u helpt om uit te zoeken wat uw volgende stap moet zijn: zij vertegenwoordigen de locatie, de hulpmiddelen of de persoon die u nodig heeft om iets gedaan te krijgen. De contexten die zijn meegeleverd met OmniFocus geven u een idee van wat dit inhoudt: elk aangemaakt project kan taken die u moet uitvoeren bevatten terwijl u boodschappen doet, telefoongesprekken voert of dingen die u op kantoor moet doen, zaken waarover u moet praten met uw baas, enz.
Schakel over naar de contextmodus door op de knop Contexten in de knoppenbalk te klikken:
De blauwe zijbalk van de planningmodus bevat uw projecten, terwijl de paarse zijbalk in de contextmodus uw contexten bevat.
OmniFocus bevat standaard al een paar contexten. Voeg enkele nieuwe contexten toe door op de plus-knop onder aan de zijbalk te klikken of door op een bestaande contextnaam te dubbelklikken om deze te wijzigen. Maak zoveel contexten als u nodig heeft om de verschillende plaatsen en toestanden voor uw activiteiten te beschrijven: Thuis, Kantoor, Mac, Te doen, Telefoon, enz. U kunt later altijd nog contexten toevoegen wanneer u die nodig heeft.
Ga nu terug naar uw projecten door op het symbool Projecten in de knoppenbalk te klikken:
Open het pop-upmenu van iedere actie (waar "Geen context" staat) en kies een van de contexten uit de contextmodus van daarnet om deze aan iedere actie toe te wijzen.
← Minicursus 2: Acties toevoegen Minicursus 4: De actiestatus →